5 Bouwstenen View
In Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 gebruiken we het C4 model om de sofware architectuur te visualiseren . C4 kent vier abstractieniveaus zoals hieronder is weergegeven. In dit document beschrijven we de architectuur tot en met component niveau.

Let op: wat in C4 een container heet, is vergelijkbaar met het concept van een Applicatie component in Archimate. Beiden zijn abstracties die als op zichzelf staande applicaties te implementeren zijn. Een C4 container is gevisualiseerd onderstaand icoon. Wat in C4 een component heet is niet afzonderlijk deploybaar.

5.1 Gehele whitebox systeem
Op het hoogste abstractieniveau heeft PLUGIN dezelfde architectuur als een data space. De Processing Hub en het Datastation de belangrijkste deelsystemen die zijn ontworpen voor gebruik door de datagebruiker resp. de datahouder. In lijn met de vereisten voor technische interoperabiliteit (TIR, met name TIR-1), gaan we uit van twee soorten interfaces voor elk van deze deelsystemen :
- Een grafische user interface, veelal web-gebaseerd
- Een API en/of client libraries
Dit architectuur document richt zich vooral op het datastation en de processing hub als belangrijke deelsystemen. Het voert te ver om de details van een volledige data space te beschrijven, inclusief generieke componenten voor identificatie, authenticatie, authorisatie en bijvoorbeeld de landelijke catalogus functie. Waar relevant zullen we wel ingegaan op het koppelvlak met deze systemen.
5.2 Datastation
- Dagster als centrale orchestrator van alle pipelines
5.2.1 PLUGIN-Lake
- PLUGIN-Lake is implementatie van lakehouse architectuur, maar dan geoptimaliseerd voor decentraal systeem
- Principe dat alle interacties naar de storage laag via een interface lopen
- Dagster deamon als gatekeeper incl. loging zoals vereist in TIR-12, TIR-13, FSPER-4
- PLUGIN-Lake API implementeert REST API zoals vereist in vereisten voor technische interoperabiliteit, met name TIR-1 t/m TIR-5.
5.2.2 PLUGIN-Rosetta
- Concept achter PLUGIN-Rosetta uitleggen